schaamte

column de koppel sep 22Ik schreef weer een column voor De Koppel, over een situatie die denk ik wel herkenbaar is voor iedereen. Zo’n moment waarop je wel door de grond kunt zakken van schaamte…

Pats. Rinkelrinkel. Kletspats. Daar ligt het sixpack Belgisch speciaalbier, in honderden splinters op de grond, alle kanten op gesprongen. Donkere plassen vormen zich om mijn voeten en boodschappentas. Een dikke bierwalm stijgt van de grond op.

Even is het doodstil in de supermarkt. Iedereen lijkt naar mij te kijken. Nee, herstel, kijkt naar mij. Verdwaasd kijk ik naar de servicebalie, ik haal verontschuldigend mijn schouders op en zeg ‘sorrysorry!’ Ik kan wel door de grond zakken. Lees verder

Regelboekje

We moeten vaak veel. Niet per se van de ander, vaker van onszelf. En dan bedoel ik niet het te-doen-lijstje dat je per dag of week kunt afwerken en afvinken, ik bedoel meer de regels die we onszelf opleggen. Onuitgesproken regels die we als het waren in ons eigen persoonlijke wetboek hebben opgeslagen. Bij mij is dat bijvoorbeeld: mijn haar moet leuk zitten, ik moet grappig uit de hoek komen, ik mag niet somber zijn, de klerenkasten moeten op een bepaalde manier (de mijne, niet de zijne) ingericht zijn, en zo kan ik nog een behoorlijke tijd doorgaan. Lees verder

De draad weer oppakken

Geen idee waar ik over zou gaan schrijven. Leeg. Flarden van ideeën maar niets met een leuke ingang. Niks, niente, nada, geen inspiratie. Met een zucht plofte ik op de bank. Daar lag mijn grote hobby verspreid: een wintertrui op rondbreinaalden, diverse verwarde bolletjes wol, een geprint patroon ernaast. En een nieuwe streng wol die nog opgewonden moest worden maar nu al heftig in de knoop zat. Ik zuchtte weer, nam de klont draad en begon hem te ontwarren. Lees verder

knolletùìn

In wijkkrant De Koppel verscheen mijn column over mijn allerliefste schoonmoederke. Als zij een mindere dag had, en die had ze meer dan haar lief was, dan ging ze extra hard poetsen.
Wat doe jij als je een mindere dag hebt?

Kèkt dan òk èùt

Staat voor een verkeerslicht te wachten als rechts een kind en moeder achter elkaar komen aanfietsen. Meisje stopt braaf voor rood, moeder is wat slomer met afremmen, raakt het talud, kiept bijna om en begint gefrustreerd op het kind te foeteren.

Het meisje kijkt om, een mondhoek lichtjes omhooggetrokken in een laconieke glimlach, onze blikken kruisen elkaar.

Als ik groen krijg en achter hen langs fiets, hoor ik moeders nog bozig nazinderen: ‘Kèkt dan òk èùt.’